| ‘ALLE GODSDIENSTEN STREVEN NAAR BARMHARTIGHEID EN LIEFDE’ |
|
Door arabist Hans Jansen Te veel succes is ook niet altijd goed. Godsdiensten kunnen een maatschappij zo verregaand haar vorm geven dat (haast) niemand in die maatschappij nog ziet dat de basis-axiomata van het maatschappelijk gedrag geleverd zijn door die godsdienst. Zo leert het christendom dat zwakken geholpen moeten worden. Inmiddels zijn ook moderne ongelovigen daar volledig van overtuigd. Sterker nog, alle moderne politieke partijen prediken dat wie zwak is, recht heeft op hulp. Terwijl het natuurlijk veel efficiënter is om wat vallen wil, een duw te geven. Godsdienst heeft om te floreren iets nodig dat het als enige aan de klant leveren kan. Een godsdienst die iets predikt waarvan iedereen toch al dacht dat het zo was, trekt weinig bekijks. Uiteindelijk kan je ook geen ijsjes verkopen op de Noordpool, of centraleverwarmingsinstallaties in Thailand. Veel succes betekent dat een godsdienst zijn aantrekkingskracht kwijt raakt. Het christendom heeft op ongewoon succesvolle wijze een aantal hoogst merkwaardige stellingen erin geramd: schuld bekennen is goed voor u; zieken en zwakken hebben recht op hulp; in metafysische zin bestaat de wereld gewoon, sleutelt u er dus rustig aan want dat geeft baat; scheiding van godsdienst en politiek (‘kerk en staat’) is maatschappelijk heilzaam want meerdere machtscentra die met elkaar touwtrekken is voor iedereen beter dan alleenheerschappij van wie dan ook; het meten met twee maten is een gruwel; pas op want de mens neigt tot kwaadaardigheid en egoïsme; je leeft maar één keer en rust is ook wel eens goed voor een mens; en tot slot: op dezelfde gevallen zijn dezelfde wetten van toepassing. Een korte rondgang door de maatschappijen van Afrika, het Midden-Oosten en Azië zal laten zien dat diezelfde regels daar niet in aanzien staan. Daarom zal westerse ontwikkelingshulp daar ook nooit werken, want een maatschappij kan zich alleen aan armoede en ellende ontworstelen als het deze regels volgt – maar als het deze regels volgt, is het direct geen arm en ellendig land meer en heeft het geen hulp meer nodig. Het grappige en wellicht noodlottige van de situatie is nu dat zelfs moderne christenen van allerlei snit en allure vergeten zijn hoe het voortbestaan van onze maatschappijvorm nauw en fundamenteel verbonden is met allerlei christelijke regels die wij nauwelijks nog als religieus, laat staan christelijk beschouwen. Moderne christenen en moderne ongelovigen hebben zich laten wijsmaken dat alle godsdiensten wel zo’n beetje naar het goede streven, en dat het dus allemaal niet zo veel uitmaakt. Alle godsdiensten streven inderdaad naar wat zij zelf als het goede gedefinieerd hebben. Dat is natuurlijk heel fijn. Maar het goede, dat is per godsdienst echt heel iets anders. Een godsdienst die de nadruk legt op de strijd tegen het kwaad is natuurlijk prachtig, totdat je ontdekt dat volgens de definities van die godsdienst jijzelf het kwaad bent. Een godsdienst die de nadruk legt op barmhartigheid in plaats van op liefde, is natuurlijk prachtig, totdat je je realiseert dat er echt nooit iemand uit barmhartigheid met iemand anders naar bed gaat. Groter verschil dan tussen barmhartigheid en liefde is nauwelijks denkbaar. Liefde vergeeft, barmhartigheid vergeeft soms wel en soms niet, en is dus een beleefde benaming voor de redeloze willekeur van een superieur. Barmhartigheid daalt van boven naar beneden, liefde daarentegen komt horizontaal. Zo kunnen we nog even doorgaan. Er bestaat geen enkele menselijke handeling die niet wel eens door een godsdienst is verboden of juist verplicht gesteld. Wie ‘voor alle godsdiensten even veel respect’ wil hebben, kan geen hap meer door zijn keel krijgen, want er bestaat geen voedsel dat niet wel eens door een godsdienst verboden is. Zelfs kraanwater is wel door een godsdienstig totaalverbod getroffen. De stelling waar deze column over diende te gaan, is dus niet waar. Niet alle godsdiensten gaan over hetzelfde, en roepen mensen op tot dezelfde deugden. Godsdiensten kunnen een maatschappij tot een aards paradijs maken, waarin mensen een leven leiden zonder kiespijn, goed gevoed, frank en vrij, liefdevol en vrolijk. Godsdiensten kunnen een maatschappij ook tot een hel maken, zonder muziek, zonder effectieve medische zorg, zonder goed glas wijn, waar mensen angstig, wrokkig en boos hun dagen slijten, vol afgunst en haat jegens elkaar en de succesvolle buitenwereld. In beide gevallen is het succes van de godsdienst zo groot en zo totaal, dat haast niemand meer het verband met de godsdienst durft te leggen. Het zou intellectueel maar beter zijn om dat wel te doen. Anders is het niet goed te zien aan welke kant onze boterham gesmeerd is. Column in het Leidse reformatorische studentenblad Prealabel, Leiden mei 2008
|